Category Archive: Nieuws

  1. Onderzoek naar eenzaamheid in Zuid-Holland

    Leave a Comment

    Hoe eenzaam zijn inwoners van Zuid-Holland en hoe kunnen we eenzaamheid voorkomen? Welke groepen lijden vooral onder dit probleem en in welke mate? Wat zijn oorzaken en gevolgen van eenzaamheid? De provincie Zuid-Holland wil dit graag weten om zo eenzaamheid nu en in de toekomst te voorkomen. Daarom deden ZorgfocuZ en Bureau HHM een grootschalig onderzoek naar eenzaamheid in de provincie. Prof. dr. Guus Schrijvers is gedurende het onderzoekstraject nauw betrokken geweest.


    Op landelijk, regionaal en lokaal niveau wordt er het nodige onderzoek naar eenzaamheid gedaan. Ook is er het landelijke actieprogramma Eén tegen eenzaamheid sinds 2019. Aan dit actieprogramma zijn door het hele land lokale coalities gekoppeld om mensen die zich eenzaam voelen te helpen. Niet eerder is er systematisch onderzoek gedaan naar eenzaamheid in Zuid-Holland. De bedoeling van dit onderzoek is dat er breed naar het probleem wordt gekeken. Sociale, persoonlijke, economische en fysieke oorzaken en gevolgen kunnen allemaal een rol spelen. Het is vooral de vraag in welke mate dat het geval is. Bovendien speelt de fysieke leef- en woonomgeving ook naar waarschijnlijkheid een bepaalde rol in de mate van ervaren eenzaamheid.


    Eenzaamheid is een breed begrip, vertelt onderzoeker Arjan Rozema. “In veel gevallen ontstaat eenzaamheid als gevolg van het ontbreken van bepaalde sociale relaties, maar dat hoeft niet. Het komt bijvoorbeeld ook voor dat iemand met een groot aantal sociale contacten lijdt aan existentiële eenzaamheid, dat zich kan vertalen naar een gevoel van twijfel over de zin van het leven. De verschillende manieren waarop eenzaamheid tot uiting kan komen, zijn ook terug te zien in de talloze (cliënt)onderzoeken die we bij ZorgfocuZ uitvoeren voor zorginstellingen en overheidsinstanties. In het onderzoek wordt aan al deze vormen aandacht besteed.”


    Onderzoeker Lennart Homan: “Als je weet welke factoren – in meer of mindere mate – een rol spelen, kun je gericht op zoek naar oplossingen. Vanuit bureau HHM ondersteunen wij verschillende overheden bij de ontwikkeling van woonzorgvisies en daaruit voortvloeiende actieplannen. Hierbij speelt de fysieke omgeving een belangrijke rol. Als een woonomgeving geen ruimte biedt voor ontmoeting, dan kan het best zijn dat mensen eenzamer worden en daardoor ook op andere levensgebieden problemen ervaren.”


    Uit ons onderzoek blijkt dat bijna de helft (48 procent) van de inwoners in Zuid-Holland matige eenzaamheid ervaart en bijna een kwart (22 procent) van de inwoners ervaart (zeer) sterke eenzaamheid. Uit de resultaten blijkt de relevantie voor onderzoek naar eenzaamheid: een hogere mate van eenzaamheid hangt samen met een lagere mate van welbevinden.

    Ouderen minder eenzaam dan jongeren; jongeren even eenzaam als andere leeftijdsgroepen
    In tegenstelling tot eerdere bevindingen gaat een hogere leeftijd gepaard met een lagere kans op eenzaamheid. Ook is er de afgelopen tijd veel geschreven en gezegd over vermeende eenzaamheid onder jongeren, al dan niet ten gevolge van de coronacrisis. Op basis van dit onderzoek kunnen we niet concluderen dat de mate van ervaren eenzaamheid onder jongeren afwijkt van die van andere leeftijdsgroepen. Dit onderzoek laat wel zien dat inwoners met een lager opleidingsniveau, door een lagere kans op werk en een lager welbevinden, gepaard gaat met een hogere mate van eenzaamheid.


    Door corona meer eenzaamheid
    Zuid-Hollanders beoordeelden bij het invullen van de vragenlijst hun sociale leven vóór de ingang van de coronamaatregelen met een rapportcijfer van 7,5. Ten tijde van de coronamaatregelen was dit ruim een punt lager: 6,2. Dit is voor mensen met een zwakkere gezondheid in nog sterkere mate het geval. Binnen dit grootschalige verkennende onderzoeken hebben we uitgebreid gekeken naar mogelijke verklarende variabelen voor het verschijnsel eenzaamheid, maar blijken demografische kenmerken maar van geringe invloed.

    In steden meer eenzaamheid
    Uit ons onderzoek blijkt dat mensen woonachtig in een flat of etagewoning eenzamer zijn dan mensen in een rijtjeshuis door een lagere tevredenheid met de woning en de buurt. Om in de (toekomstige) behoefte aan woningen te voorzien en het bestaande tekort op de woningmarkt naar een functioneel niveau terug te dringen, zet de provincie Zuid-Holland in op een toename van het aantal woningen. Daarbij bestaat de kans dat het aantal flat- of etagewoningen toe zullen nemen. Een toename van flat- of etagewoningen hoeft niet direct te leiden tot een toename van eenzaamheid, aangezien het samenhangt met de tevredenheid met de woning en buurt en de mate van sociale cohesie.

    Ook sociale en politieke ontwikkelingen spelen een rol. Met de decentralisatie van zorgtaken van de landelijke en provinciale overheid naar gemeente is er ingezet om mensen zo lang mogelijk zelfstandig in hun eigen woning en wijk te laten wonen. Het risico van deze ‘ambulantisering’ is dat de veilige setting en het sociale contact waarin vaak wordt voorzien in een intramurale setting wegvalt.


    Daarnaast is er een ontwikkeling zichtbaar waarin de zorg- en welzijnssector, de gemeente, woningcorporaties, politie en andere maatschappelijke organisaties meer integraal werken. Met een integrale manier van werken en door de leefwereld van de mens centraal te stellen, verandert de rol van zorgverleners, zoals huisartsen, praktijkondersteuners en wijkverpleegkundigen, zodat mensen die vereenzamen tijdig in beeld zijn en goed kunnen worden doorverwezen.


    Landelijk onderzoek
    Eenzaamheid speelt natuurlijk niet alleen in Zuid-Holland, maar in heel Nederland. Op eigen initiatief hebben bureau HHM en ZorgfocuZ het onderzoek, dat is gestart in Zuid-Holland, uitgebreid. Ook voor de overige elf provincies is door ons onderzoek verricht naar eenzaamheid en hoe dit zich verhoudt tot de leef- en woonomgeving van mensen en sociale, persoonlijke, economische factoren.


    Congres
    Op 10 juni gaan tal van vooraanstaande sprekers dieper in op het thema eenzaamheid met als doel bezoekers met nieuwe inzichten en handvatten huiswaarts te doen keren. Inzichten en handvatten waarmee zij regionaal en/of lokaal stappen kunnen zetten in het tegengaan van eenzaamheid. Inschrijven kan via deze link.

  2. BSS Congress 2022 een groot succes!

    Leave a Comment

    Afgelopen woensdag vond het BSS Congress plaats in Martiniplaza in Groningen: een inspirerend evenement voor studenten van de faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Studenten konden deelnemen aan workshops, aansluiten bij lezingen en langskomen op de netwerkborrel. Uiteraard waren wij van ZorgfocuZ ook aanwezig om ambitieuze studenten te vertellen over de diverse onderzoeken die wij uitvoeren!

    De middag was een groot succes: twee van onze onderzoekers waren ter plaatse om ijverige studenten te woord te staan, en de ZorgfocuZ-tafel werd druk bezocht door studenten die stonden te trappelen om meer te leren over het onderzoeksvak. Het was leuk om in contact te komen met jonge enthousiastelingen die onze passie voor onderzoek delen, en wie weet zien we sommige van hen nog eens terug!

    Ben jij nou ook enthousiast geworden? Heb je onderzoek altijd interessant gevonden, maar weet je niet precies hoe het eruit ziet in de praktijk? Neem vooral contact met ons op! Dan kijken we samen wat we voor elkaar kunnen betekenen.

  3. CONGRES: EENZAAMHEID, PREVENTIE EN BELEID – Schrijf je nu in!

    Leave a Comment

    Eenzaamheid raakt ons allemaal en kan grote maatschappelijke gevolgen hebben. Hoe het ons raakt verschilt; oplossingen zijn dan ook niet pasklaar. Hoe kunnen we eenzaamheid voorkomen, signaleren en verminderen? Die vragen staan centraal tijdens het Congres Eenzaamheid, Preventie en Beleid op 10 juni 2022 in De Galgenwaard in Utrecht.

    Langdurige eenzaamheid kan leiden tot gezondheidsrisico’s, de kwaliteit van leven verminderen en ervoor zorgen dat mensen niet meer meedoen in de samenleving.

    Op 10 juni gaan tal van vooraanstaande sprekers dieper in op het thema eenzaamheid met als doel bezoekers met nieuwe inzichten en handvatten huiswaarts te doen keren. Inzichten en handvatten waarmee zij regionaal en/of lokaal stappen kunnen zetten in het tegengaan van eenzaamheid.

    Het congres geeft antwoord op vragen als:

    1. Welke kennis is beschikbaar over oorzaak en gevolgen?
    2. Welke beleidsinitiatieven op lokaal en provinciaal niveau bestaan er anno 2022 om eenzaamheid te voorkómen dan wel vroegtijdig te signaleren?
    3. Hoe zijn beschikbare kennis en ervaringen het beste te verspreiden?
    4. Wat is de relatie tussen huisvesting en eenzaamheid?
    5. Zijn buitenlandse ervaringen wel of niet interessant voor Nederland?

    Voor wie:

    • Beleid: beleidsadviseurs, bestuurders, medewerkers van gemeenten, GGD’s, woningbouwcorporaties, vrijwilligersorganisaties, zorgkantoren, overheidsinstanties;
    • Professionals, werkers in de wijk (wijk, zorginstellingen, gemeenten, ervaringsdeskundigen);
    • Onderzoekers bij instituten, onderzoeksgroepen, universiteiten, journalisten;
    • En iedereen die zich betrokken voelt bij het tegengaan van eenzaamheid.

    Interactie en dialoog
    Inspiratie, kennisdeling en het uitwisselen van ervaringen vormen een belangrijk onderdeel van het congres. Ook is er ruimte voor het delen van succeservaringen.

    Organisatie

    ZorgfocuZ is samen met Bureau HHM medeorganisator van dit congres van de Guus Schrijvers Academie. Claire is als onderzoeker/adviseur van ZorgfocuZ ook een van de sprekers. Claire is nauw betrokken bij verschillende onderzoeken binnen dit thema en zal aandacht besteden aan waarom onderzoek relevant is bij het opstellen en toetsen van beleid omtrent eenzaamheid.

    Inschrijven
    Deelname kost € 299,00 (btw vrij).

  4. Jaarbeeld CEO Wmo: 10 bevindingen

    Leave a Comment

    Jaarlijks wordt door gemeenten cliëntervaringen met de Wmo verzameld. In 2021 veranderde de landelijke werkwijze van het CEO Wmo 2015: met ingang van januari van dat jaar hebben gemeenten meer ruimte gekregen om het onderzoek naar eigen wens in te richten. Gemeenten zijn verplicht om de uitkomsten van het onderzoek te delen. Sinds 2021 wordt dit gedaan aan de hand van een nieuw aanleverformat. Hier is een uitgebreide landelijke analyse van gemaakt. De VNG heeft hierop de 10 belangrijkste bevindingen gerapporteerd. Die hebben wij hieronder integraal weergegeven. Bron: VNG

    I. OVER DE UITKOMSTEN VAN HET GEMEENTELIJKE CEO WMO

    1. Het CEO Wmo over 2020 laat positieve resultaten zien, ondanks corona

    Gemeenten zijn, op basis van de respons van de door hen bevraagde inwoners, over het algemeen positief gestemd over de uitkomsten van het CEO Wmo. Dit is in overeenstemming met voorgaande jaren.

    • Gemeenten zien dat er een vrij positieve ervaring van de toegankelijkheid is. Enkele gemeenten zien wel een minder positief beeld dan voorgaande jaren en zien daar ruimte voor verbetering.
    • De meeste gemeenten zien dat cliënten vrij positief zijn over de kwaliteit van de ondersteuning.
    • Gemeenten zien dat cliënten zeer positief zijn over het effect van de ondersteuning.

    Deze 3 onderwerpen – toegankelijkheid, kwaliteit en effect – blijven, ook in het nieuwe stelsel, centraal staan in het gemeentelijke cliëntervaringsonderzoek.

    2. Grootste verbeterpotentieel bij toegankelijkheid

    De grootste ruimte voor verbetering zien gemeenten in de toegankelijkheid van de ondersteuning. Vooral de bekendheid van onafhankelijke cliëntondersteuning is een punt van zorg, 68% van de gemeenten ziet hier ruimte voor verbetering. Een kwart van de gemeenten ziet ruimte voor verbetering als het gaat om de wachttijden en snelheid van de hulp.

    3. Uitkomsten cliëntervaring geven volgens gemeenten weinig aanleiding tot verbetering

    Gemeenten spreken regelmatig de ambitie uit dat ze cliëntervaringen willen gebruiken om van te leren en bijvoorbeeld hun toegangsprocessen te verbeteren. Tegen deze achtergrond is het opvallend dat gemeenten in de huidige uitkomsten nog weinig noodzaak zien om verbeteringen door te voeren: op de onderdelen kwaliteit van de ondersteuning en ervaren effect is ca. 45% van de gemeenten aan de slag met verbeteringen.

    Bij de uitkomsten speelt vermoedelijk mee dat vrijwel alle gemeenten voor hun onderzoek nog de standaardset van vragen hebben gebruikt, eventueel met aanvullingen. En die vragen zijn gericht op tevredenheid, niet direct op het opsporen van wat beter kan. Andere (aanvullende) vormen van onderzoek, bijvoorbeeld met kwalitatieve methoden, lenen zich daar beter voor. Gemeenten hebben sinds 2021 de ruimte om deze de komende jaren in te zetten.

    4. Helft gemeenten leverde tijdig informatie aan

    Gemeenten moeten jaarlijks voor 1 juli de uitkomsten van hun cliëntervaringsonderzoek publiceren en de betreffende gegevens aan de minister van VWS of een door deze aangewezen instelling te verstrekken, zo staat het in de Wmo 2015. 169 van de 352 gemeenten (48%) is het daadwerkelijk gelukt om de gegevens voor verlengde deadline van 15 augustus aan te leveren.

    Vanwege de voortdurende coronapandemie hebben gemeenten, evenals in 2020, de mogelijkheid gekregen om nog na de gegeven deadline gegevens aan te leveren, tot en met 31 december 2021. Deze informatie kon niet meer worden meegenomen in de landelijke analyse, maar is wel beschikbaar via waarstaatjegemeente.nl. Uiteindelijk leverden 268 gemeenten (76%) hun informatie voor 31 december aan. Dat is niet afwijkend ten opzichte van voorgaande jaren:

    jaar van aanlevering201620172018201920202021
    aantal gemeenten aangeleverd64242255309208268
    percentage gemeenten aangeleverd16%62%67%87%59%76%

    Ongetwijfeld stonden de corona-omstandigheden gemeenten in de weg om tijdig informatie aan te leveren (door gebrek aan onderzoekscapaciteit of een bewuste keuze om in deze bijzondere tijden geen meting te doen). Daarnaast is de datum 1 juli door het nieuwe format wat knellender geworden, zo gaf een enkele gemeente aan, omdat hierin informatie gevraagd wordt over het gebruik van het CEO.

    II. OVER DE OPZET, HET UITVOEREN EN HET GEBRUIK VAN HET GEMEENTELIJKE CEO WMO

    5. Gemeenten verkennen nieuwe mogelijkheden, met name rond continu-metingen

    Gemeenten wilden meer vrijheid bij het opzetten van hun CEO Wmo, om het onderzoek beter te laten aansluiten bij de eigen informatiebehoefte. Met de nieuwe manier van rapporteren kan de komende jaren gevolgd worden op welke manier gemeenten hier invulling aan geven.

    In 2020 werkten nagenoeg alle gemeenten nog met de voorgeschreven set van 10 vragen, die op dat moment nog was voorgeschreven. 78% van de gemeenten gebruikte daarbij al aanvullende vragen. De onderwerpen die daar het vaakst naar voren komen zijn corona, mantelzorg, ondersteuning, eenzaamheid en het keukentafelgesprek.

    Wat de frequentie van het onderzoek betreft, blijkt dat de meeste gemeenten (70%) het onderzoek nog op een vast moment in het jaar hebben uitgevoerd, 25% voert het onderzoek op meerdere vaste momenten in het jaar uit.

    Een aantal gemeenten ontwikkelt een vorm van continu-meten. Daarmee komt het moment van onderzoek een stuk dichter bij het moment dat de ervaring door de inwoners werd opgedaan. Dit komt de (kwaliteit van) de respons ten goede. Door de frequentere informatievoorziening kan de cliëntervaring ook een sterkere rol spelen in de sturing van het beleid. Het opzetten van een continu-meting blijkt nog wel uitdagend door de diverse onderzoekspraktische hobbels die gemeenten moeten nemen.

    6. Veel gemeenten maken gebruik van de diensten van onderzoeksbureaus

    Het ontwikkelen van een nieuwe onderzoeksopzet vergt tijd en expertise. Gemeenten geven zelf aan dat ze aankomend jaren gaan gebruiken om hun CEO opnieuw in te richten. Daarvoor is in 2021 ook een handreiking verschenen. De verwachting is dan ook dat er gaandeweg steeds minder gebruik gemaakt gaat worden van de standaardset vragen of dat deze in aangepaste vorm toegepast zal worden. In de loop der tijd kunnen er door samenwerking tussen gemeenten ook gedeelde standaarden ontstaan.

    Ruim 80% van de gemeenten heeft het onderzoek uit laten voeren door een extern onderzoeksbureau. Daarmee hebben deze bureaus ook een belangrijke rol bij het passend maken van het cliëntervaringsonderzoek bij de lokale vragen. Diverse bureaus hebben dit ook al actief opgepakt.

    7. Ruimte voor verdere benutting cliëntervaring

    Voor het eerst is er dit jaar ook zicht op hoe gemeenten de uitkomsten gebruiken. Dit gebruik is veelal nog intern. Actieve bespreking met bijvoorbeeld inwoners zelf, of met de beleidsmedewerkers en/of uitvoerenden van de organisaties die de ondersteuning uitvoeren is er nog beperkt. Vanuit de ambitie van gemeenten om cliëntervaringsonderzoek in te zetten voor het leren en verbeteren, ligt het voor de hand om deze partijen ook actief te betrekken, bijvoorbeeld in het opzetten van het onderzoek maar ook in het bespreken en duiden van de uitkomsten. Ook met de wetenschap dat zij een belangrijk aandeel hebben in de ervaring die inwoners rapporteren.

    III. OVER DE NIEUWE LANDELIJKE CEO WMO-SYSTEMATIEK

    8. De nieuwe wijze van aanleveren functioneert goed

    Vanaf april 2021 leverden gemeenten informatie over hun CEO Wmo aan via een nieuw rapportageformat met 31 vragen (vooral meerkeuzevragen): een grote verandering ten opzichte van voorgaande jaren. Deze overgang leverde, in de ervaring van het betrokken onderzoeksbureau Enneüs niet meer vragen op dan voorgaande jaren.

    Wel waren er enkele vragen over het moment van aanleveren. De wettelijk vastgelegde termijn is 1 juli. Sommigen gemeenten geven aan dat dat voor hen te vroeg is; met name wanneer het gaat om de interpretatie van de uitkomsten en het gebruik – de laatste fasen van het onderzoek.

    De door gemeenten aangeleverde informatie is beschikbaar op waarstaatjegemeente.nl. Daar is informatie over de – volgens gemeenten – 3 belangrijkste onderzoeksbevindingen van het door hen uitgevoerde CEO Wmo te vinden evenals een aparte pdf-rapportage per gemeente. Daarmee kunnen gemeenten kennis nemen van elkaars CEO-praktijk.

    9. Beter zicht op non-respons

    Een deel van de gemeenten lukte het niet om (tijdig) te voldoen aan de jaarlijkse wettelijke verplichting om een CEO Wmo uit te voeren. Deze kunnen dat nu aangeven in de aanlevermodule, inclusief de reden waarom dit niet lukt en wat de onderzoeksplannen voor volgend jaar zijn. Hierdoor ontstaat meer inzicht in de achtergrond van deze ‘non-respons’:

    • 29 gemeenten (8%) hebben wel cliëntervaringsonderzoek uitgevoerd, maar kon de informatie niet aanleveren voor 31 december 2021
    • 18 gemeenten (5%) gaven aan geen cliëntervaringsonderzoek uit te hebben gevoerd
    • 37 gemeenten (11%) gaven geen enkele respons

    In volgende jaren kan gekeken worden of deze laatste 2 groepen van gemeenten meerdere jaren achtereen geen CEO Wmo uitvoeren en zich onttrekken aan de wettelijke verplichting, en wat de achtergrond daarvan is.

    10. Analyse van gemeentelijke informatie geeft rijk beeld

    Het nieuwe rapportageformat is ontworpen om een goed landelijk beeld te krijgen. Het Verwey-Jonker Instituut heeft voor het eerst een uitgebreide analyse gemaakt van de door gemeenten aangeleverde informatie. Voorheen werd gerapporteerd over de directe uitkomsten (het percentage van inwoners dat niet/wel tevreden was over aspecten). Deze kwantitatieve resultaten van de standaardset vragen werden vervolgens gepubliceerd op waarstaatjegemeente.nl. Deze cijfers gaven echter weinig verdiepende informatie. Daarnaast bleek een-op-een vergelijking lastig omdat gemeenten bijvoorbeeld op een eigen manier een steekproef bepaalden, de respons (te) laag was en de vragenlijst afnamen op een ander moment of bij andere doelgroepen.

    Per 2021 geven gemeenten zelf aan wat – volgens hen, op basis van de ervaringen van de door hen bevraagde cliënten – de belangrijkste uitkomsten van hun CEO Wmo zijn. Dit is een belangrijk verschil. Sommige gemeenten ervaren het als een gemis dat er geen ruimte meer is in het rapportageformat om kwantitatieve gegevens in te vullen en de cijfermatige vergelijking met voorgaande jaren te maken.

    Hier staat tegenover dat de landelijke analyse een rijk inzicht geeft in hoe gemeenten omgaan met het cliëntervarings­onderzoek. De verwachting is dat gemeenten de komende jaren meer eigenaarschap zullen nemen over het CEO Wmo en andere vormen van onderzoek zullen opzetten die goed aansluiten bij de eigen informatiebehoefte. Hierdoor zullen gemeenten scherper kunnen rapporteren over de uitkomsten en het gebruik van de uitkomsten. Daarmee ontstaat er gaandeweg een goed en nog rijker landelijk beeld. In een volgend jaarbeeld zal zichtbaar worden in hoeverre deze verwachting al werkelijkheid is geworden.

  5. Meer met hetzelfde: mogelijkheden voor het verhogen van arbeidsproductiviteit van zorgprofessionals

    Leave a Comment

    Namens ZorgfocuZ, en in opdracht van FleverNL, stelde Tim ten Ham een literatuurstudie op naar de mogelijkheden om de arbeidsproductiviteit in de zorg te verhogen. De belangrijkste bevindingen uit dit literatuuronderzoek zijn nu omgezet in een korte blog, deze week gepubliceerd in de nieuwsbrief Zorg & Innovatie van Guus Schrijvers. Vooral met het oog op de krappe arbeidsmarkt in de zorg- en welzijnssector een buitengewoon urgent thema.

    Het inzetten op personele houdbaarheid is belangrijk om de publieke doelen toegankelijkheid en kwaliteit van de gezondheidszorg te blijven waarborgen in de toekomst. Dit is een uitdaging, omdat het aanbod van zorgprofessionals en de zorgvraag van burgers thans op gespannen voet staan. Bij ongewijzigd beleid zou het aantal werknemers in de zorgsector moeten stijgen van 1,4 miljoen in 2020 naar 2 miljoen in 2040. Een kwart van de Nederlandse beroepsbevolking zou dan tegen die tijd werkzaam moeten zijn in de zorg: een onrealistisch scenario. Eén van de beleidsopties om het alsmaar oplopende personeelstekort te lijf te gaan is het verhogen van de arbeidsproductiviteit van zorgprofessionals.

    Verhoging arbeidsproductiviteit zorgprofessionals onvoldoende in het vizier

    Gupta Strategists constateert in een vorig jaar verschenen rapport dat binnen het veld van de zorg, in de meerjarenstrategieën, beleidsplannen of HR-agenda’s van ziekenhuizen of andere zorgaanbieders, productiviteitsverhoging onvoldoende in het vizier staat. Er wordt te veel gefocust op minder zorg of meer personeel. Er zouden meer expliciete ambities aangaande dit thema moeten worden geformuleerd. Volgens de Commissie Werken in de Zorg zou een drijvende kracht achter het opschalen van innovaties de zorginkopers (zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten) moeten zijn. Zij zouden gecontracteerde zorgaanbieders actief kunnen sturen op het implementeren van faciliterende technologie en het afschalen van achterhaalde technologieën en werkprocessen. Gezien het feit dat het overgrote deel van de innovaties de markt niet bereikt zou meer actieve sturing op dit vlak wel eens hard nodig kunnen zijn.

    Verhoging arbeidsproductiviteit ook geen panacee

    Hoewel er goede redenen zijn om beleidsmatig op productiviteitsgroei in te zetten, nuanceert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in een recent verschenen rapportage de potentie van productiviteitsverhogende strategieën in de zorg. Productiviteitsverhoging alléén biedt namelijk geen volledige en duurzame oplossing voor het personele houdbaarheidsprobleem; verhoging van arbeidsproductiviteit moet gepaard gaan met uitbreiding van het personeelsbestand (via instroom en behoud). Het moge echter duidelijk zijn dat productiviteit en aantrekken en/of behoud van personeel niet los van elkaar gezien kunnen worden. Als zorgprofessionals uitdrukking kunnen geven aan hun intrinsieke motivatie en voldoening uit hun werk halen, zijn ze én productiever (of verliezen zij minder productiviteit en verzuimen zij minder) én is er minder uitstroom waardoor zij behouden blijven voor de zorg.

    Meten van arbeidsproductiviteit verre van eenduidig

    Het kwantificeren en monitoren van productiviteitsontwikkeling in de zorg is een uitdaging. De productiviteit in de zorg bestaat niet als zodanig, vanwege de diversiteit aan branches, zorgprofessionals en zorgproducten. Die diversiteit verdisconteren in één verhoudingsgetal voor arbeidsproductiviteit is te complex. Arbeidsproductiviteit vat ik op als de verhouding tussen geleverde prestaties (output) en ingezette middelen (input). In de gezondheidszorg is de waarde van de productie (lees: zorgverlening) nauwelijks uit te drukken in geld: het betreft winst in termen van gezondheid. Er bestaat geen eenduidige maat om de output van zorg uit te drukken. Daarnaast is het nauwkeurig meten van de arbeidsinzet ook verre van eenduidig, vanwege de grote diversiteit aan beroepsgroepen en contractvormen. Het cijfermatig in kaart brengen van de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in de zorg blijft hierdoor dus een theoretisch ideaal.

    De ziekte van Baumol: zorg is arbeidsintensief

    De mogelijkheden om via een efficiënter en minder arbeidsintensief productieproces tot een hogere output te komen zijn in de zorg beperkt, omdat tijd, aandacht en empathie voor de patiënt een wezenlijk onderdeel van het product zorg is. In vergelijking met andere economische sectoren is het, vanwege haar specifieke aard, veel moeilijker om structurele arbeidsproductiviteitsgroei in de gezondheidszorg te realiseren. Omdat de lonen in de zorg andere economische sectoren volgen, maar de arbeidsproductiviteit geen gelijke tred kan houden, wordt de zorg verhoudingsgewijs steeds duurder. Gezondheidseconomen noemen dit de ziekte van Baumol. Het zij gezegd dat sommige auteurs optimistisch zijn. Blank et al. (2016) trekken bijvoorbeeld de conclusie dat de ziekte van Baumol grotendeels aan de zorgsector voorbijgaat. Vooral de ziekenhuizen laten een permanente productiviteitsgroei zien. Ook de verpleging, verzorging en thuiszorg (vvt) en de geestelijke gezondheidszorg (ggz) kennen een (bescheiden) positieve productiviteitsontwikkelingDe enige zorgelijke ontwikkeling is te vinden in de gehandicaptenzorg. De gegevens waarop deze conclusie gebaseerd is lijken enigszins gedateerd te zijn en er zijn aanwijzingen dat de ziekte van Baumol zich de afgelopen jaren wel heeft laten gelden. Toch is niet te ontkennen dat ziekenhuizen tegenwoordig ingrepen uitvoeren in dagbehandeling of poliklinisch, waarvoor voorheen een opname stond van enkele dagen.

    Werkbare factoren van arbeidsproductiviteit moeilijk te identificeren

    Door uitdagingen bij het meten en monitoren van productiviteit is het niet alleen moeilijk zicht krijgen op de ontwikkeling hiervan door de tijd heen, maar ook op mogelijk verklarende factoren. Zo is het lastig om werkzame factoren te identificeren (onafhankelijke variabelen) als de arbeidsproductiviteit zelf niet eenduidig in kaart is te brengen (de afhankelijke variabele). Daarom is er veel ongewis over de empirische bewijslast van factoren die een productiviteitsverhogende werking hebben. Er zijn enkele aanwijzingen in de wetenschappelijke literatuur hierover (zoals hierhier en hier), tezamen met mogelijk veelbelovende praktijkvoorbeelden van arbeidsbesparende innovaties, maar hard empirisch bewijs over de werkzaamheid ontbreekt vaak. Daar komt bij dat nieuwe technologie van oudsher in de zorg veel wordt aangewend om kwaliteitsverbetering mogelijk te maken, en niet zozeer om efficiëntie en tijdswinst (lees: productiviteit) na te streven. De potentie van veel technologieën zal ook moeten blijken door deze in de praktijk, soms op experimentele basis, in te zetten.

    Indicaties van mogelijk bepalende factoren arbeidsproductiviteit

    Toch zijn er wel aanwijzingen van factoren die de productiviteit van zorgprofessionals  beïnvloeden. Dit betreft bijvoorbeeld de manier waarop het werk georganiseerd is. Zo levert serieproductie van orthopedische ingrepen in een focuskliniek ongetwijfeld een arbeidsproductivitietsstijging op van orthopeden en andere professionals. Een recent voorbeeld hiervan speelt zich af in Zoetermeer. Onlosmakelijk verbonden met de organisatie van werk zijn verder de hoge en door zorgprofessionals vaak als nutteloos ervaren administratieve lasten. Deze leiden bij zorgprofessionals vaak tot hoge werkdruk en in sommige gevallen zelfs tot psychische beroespziekten zoals stress. Het gevolg is productiviteitsafname.

    Daarnaast kán digitale technologie een belangrijke rol spelen in het efficiënter inrichten van het zorgproces, maar een noodzakelijke voorwaarde hiervoor is wel het actief betrekken van zorgprofessionals én patiënten. Bovendien moet de bekostiging uitlokken dat digitale innovaties in de plaats komen van arbeidsintensiever, meestal fysiek, zorgaanbod. Gebeurt dat niet, en hebben eHealth interventies een eigen tarief, dan is in de adoptie van nieuwe technologie alleen sprake van uitbreiding van de zorg. Het blijft de vraag of de inzet op efficiëntie en arbeidsbesparende technologie alleen, zo gebruikelijk in andere economische sectoren en vooral de maakindustrie, een toekomstbestendige strategie is in een sector die zo arbeidsintensief is als de gezondheidszorg.

    Hoe arbeidsproductiviteit behapbaar te maken

    Het is daarom aan te bevelen niet sectorbreed, maar op branche-, organisatie- of productniveau de arbeidsproductiviteit van zorgprofessionals systematisch in kaart te brengen. Van belang is dan om output- en input gegevens met een vergelijkbare output aan elkaar te relateren, bijvoorbeeld van staaroperaties in umc’s, algemene ziekenhuizen en zeflstandige behandelcentra. Aanbieders en zorgverzekeraars krijgen bij openbaar making van deze cijfers een prikkel tot discussie en daardoor tot arbeidsproductivieitsverhoging. In ziekenhuizen komt dit al vaker voor dan in de langdurige zorg, zoals bijvoorbeeld in de ouderenzorg of de wijkverpleging. Aan de hand van Key Performance Indicators (KPI’s), Balance scorecards en benchmarking kunnen instellingen bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoeveel tijd zorgprofessionals kwijt zijn aan de cliënt ten opzichte van andere activiteiten (scholing, administratie, verzuim, verlof, etc.). Middels benchmarking kunnen zorginstellingen zichzelf door de tijd heen vergelijken of met andere (gemiddeld of best presterende) organisaties in dezelfde branche. Een stevige regie vanuit VWS kan verder een belangrijke rol spelen in het opzetten van eenduidige evaluatiesystemen die als landelijke standaard zouden kunnen dienen, zoals al bestaat voor de kwaliteit van zorg.

    Randvoorwaarden voor succesvolle toepassing arbeidsbesparende technologie

    De opdracht is dus niet zozeer om meer van hetzelfde te doen (inzetten op meer personeel of minder zorg), maar meer te doen met hetzelfde. Dit komt simpelweg neer op het geven van een slimmere, en minder arbeidsintensieve invulling aan werkprocessen. Een serieuze uitdaging blijft hierbij het verkrijgen van motivatie van zorprofessionals en patiënten om digitale en arbeidsbesparende technologie daadwerkelijk toe te passen. Veel zorgprofessionals zijn bang voor broodroof, de angst overbodig te worden en hun baan te verliezen door automatisering, robotica en andere vormen van kunstmatige intelligentie. Technologische innovaties lijken vooral effectief te zijn op het moment dat ze zorgprofessionals ondersteunen in het optimaal gebruiken van hun professionele ruimte. En ook patiënten blijken wel open te staan voor het inzetten van digitale technologie, maar is er vooral weerstand tegen bijvoorbeeld de inzet van zorgrobots op het moment dat deze intermenselijke contacten gaan overnemen.

    Kortom

    Uit bovenstaande blijkt de behoefte aan projecten die tot doel hebben de zorg slimmer en efficiënter te organiseren, dus om meer zorg te bieden met de aanwezige professionals. Ik vat dit samen met drie woorden: meer met hetzelfde. Dan bestaat er draagvlak onder patiënten en professionals om technologische toepassingen aan te wenden die gericht zijn op verhoging van de arbeidsproductiviteit.

Zijn onze onderzoeksoplossingen iets voor u?

Sluiten