Category Archive: Nieuws

  1. PREM Wijkverpleging: nieuw handboek en werkinstructie gepubliceerd

    Leave a Comment

    De PREM Wijkverpleging over 2020 is kort geleden afgerond en de nieuwe meting staat al voor de deur. Brancheorganisatie ActiZ (lid van de stuurgroep kwaliteitskader wijkverpleging) publiceerde op 9 februari het nieuwe handboek en bijbehorende werkinstructies voor de komende drie meetjaren. In dit nieuwsbericht zetten we de belangrijkste zaken op een rijtje.

    Meetperiode

    Iedere thuiszorgorganisatie is verplicht om jaarlijks de PREM Wijkverpleging uit te voeren. De meetperiode loopt van 1 maart t/m 31 december. De stuurgroep kiest er daarnaast voor om de komende drie jaar (dus tot en met 2023) de afspraken en instructies uit het nieuwe handboek aan te houden. De meetperiode van maart tot en met december zal dus zowel voor dit jaar (2021) gelden als de twee daaropvolgende jaren.

    Vragenlijst

    Naar aanleiding van de meting in 2019 en 2020 heeft de stuurgroep de vragenlijst geëvalueerd en voert zij enkele wijzingen door. Er zijn een aantal vragen anders geformuleerd of wordt er een toelichting bij de vraag gegeven. Daarnaast zijn een aantal achtergrondvragen komen te vervallen. Tot slot is een PROM-vraag (patient reporterd outcome measure) over de ervaren kwaliteit van leven toegevoegd.

    De nieuwe PREM vragenlijst bestaat uit negen ervaringsvragen, de PROM-vraag, een aanbevelingsvraag, twee open vragen en een aantal achtergrondvragen. Het blijft net als voorgaande jaren mogelijk om vragen toe te voegen die voor uw organisatie relevant zijn.

    Methode

    Als zorgorganisatie kunt u kiezen welke meetmethode u wilt inzetten om uw cliënten te bevragen. In het nieuwe handboek vindt u voor elk van de methoden de instructies. Net als vorige metingen is het mogelijk de vragenlijst schriftelijk, online, mixed-mode of middels een interview uit te vragen.

    Doelgroep en steekproef

    Er zijn geen wijzigingen aangebracht in de doelgroep die u dient aan te schrijven. Het handboek geeft duidelijkere inclusie- en exclusiecriteria. De steekproefgrootte is ten opzichte van vorige metingen iets aangepast: organisaties met minder dan 150 cliënten zullen iedereen meenemen in het onderzoek (die grens was voorheen 175 cliënten), organisaties met een cliëntenaantal tussen de 150 en 500 cliënten, schrijven minimaal 150 aan. Bij een cliëntenpopulatie groter dan 500 wordt 30% daarvan aangeschreven.

    Wat kunnen wij voor u betekenen?

    Wilt u meer weten over de PREM Wijkverpleging, onze aanpak of wilt u direct een offerte aanvragen? Neem gerust contact op met onze collega Martin Bloem en laat u overtuigen van onze meerwaarde.

    U kunt ons ook bereiken via ons contactformulier of u kunt ons bellen op 050 82 00 461.

  2. Hulp vanuit de Wmo wordt steeds beter gewaardeerd, nog grote verschillen tussen gemeenten

    Leave a Comment

    Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen die niet op eigen kracht zelfredzaam zijn. Deze ondersteuning verloopt via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Om de effectiviteit van het beleid te monitoren, voeren alle Nederlandse gemeenten het wettelijk verplichte onderzoek uit naar de ervaringen van inwoners met hulp vanuit de Wmo.

    Wij zijn gespecialiseerd in de opzet en uitvoering van deze onderzoeken en marktleider op dit gebied. Naast onze dienstverlening aan afzonderlijke gemeenten, maken wij jaarlijks een benchmarkrapportage op basis van de door VWS openbaar gemaakte data.

    In dit rapport leest u onder meer:

    • Dat cliënten de afgelopen jaren steeds beter weten waar zij met hun hulpvraag moeten zijn;
    • Dat in de loop der jaren de bekendheid over de beschikbaarheid van de onafhankelijke cliëntondersteuner is toegenomen;
    • Dat cliënten in steeds grotere mate tevreden zijn over de ondersteuning die zij krijgen (groei van 7 procentpunt sinds 2016);
    • Dat cliënten steeds meer een betere kwaliteit van leven ervaren door de ondersteuning die zij vanuit de Wmo ontvangen;
    • Dat de gemeente Bergeijk in 2020 gemiddeld het beste beoordeeld wordt door cliënten. Eindhoven scoort het laagst;
    • Dat de gemeente Coevorden gemiddeld landelijk het hoogst scoort op twee thema’s;
    • Dat de gemeente Eindhoven gemiddeld landelijk het laagst scoort op twee thema’s;
    • Dat gemeenten vanaf 2021 meer vrijheid bij de uitvoering van het cliëntervaringsonderzoek (CEO) Wmo krijgen.
  3. Prem Wijkverpleging: Aanleveren resultaten 2020 en een update over meetjaar 2021

    Leave a Comment

    Brancheorganisatie ActiZ heeft gisteren een nieuwsbericht op haar website geplaatst omtrent de PREM wijkverpleging. In dit nieuwsbericht is er aandacht voor de afronding van meetjaar 2020 en wordt er vooruitgeblikt op meetjaar 2021.

    Aanleveren resultaten 2020

    Zorgorganisaties moeten voor het einde van het jaar een meting hebben uitgevoerd omtrent de PREM Wijkverpleging. Mocht u dit nog niet hebben gedaan, u heeft nog tot het einde van het jaar de tijd om de meting uit te voeren en kunt de data via ons als meetbureau tot en met 31 januari 2021 aanleveren bij de gegevensmakelaar Mediquest. Naast de aanlevering van de data bij het ODB van ZiNL dienen zorgorganisaties hun PREM-data ook te delen met ZorgkaartNederland. Wij dragen zorg voor het aanleveren van deze gegevens voor onze klanten.

    PREM Wijkverpleging 2021

    Zorgorganisaties hebben in 2021 vanaf 1 maart tot en met 31 december de tijd om de meting uit te voeren. ActiZ laat weten dat de evaluatie van de PREM Wijkverpleging onlangs is afgerond en dat binnenkort het vernieuwde handboek voor de PREM Wijkverpleging 2021 wordt gepubliceerd. Zodra deze beschikbaar is zullen wij u informeren wat dit betekent voor de uitvoering van de PREM Wijkverpleging bij ons. De verwachting is dat het handboek halverwege januari 2021 beschikbaar komt.

    Nieuwe indicatoren

    Vanaf maart 2021 zijn organisaties verplicht om een meting te doen naar belastbaarheid van mantelzorg. Meer informatie hierover zal in het handboek staan, kortom: wordt vervolgd!

  4. Vanaf 2021 meer vrijheid bij uitvoering van CEO Wmo

    Leave a Comment

    Gemeenten krijgen vanaf 2021 meer vrijheid bij de uitvoering van het cliëntervaringsonderzoek (CEO) Wmo, dat meldt de VNG op haar site. In de afgelopen jaren heeft de VNG in een werkgroep, samen met het ministerie van VWS en een aantal gemeenten, verkend hoe het CEO Wmo anders ingericht kan worden. Gemeenten ervaren met de opzet die tot dit jaar geldt, te weinig vrijheid om het CEO naar eigen behoefte in te richten. Hierop heeft de werkgroep (toe)gewerkt naar een nieuwe opzet: het ‘CEO Wmo nieuwe stijl’. In dit artikel geven wij een samenvatting van de wijzigingen. Op een later moment informeren wij u over de mogelijkheden die wij zien voor de invulling van het CEO Wmo nieuwe stijl. Onze klanten worden hierover uiteraard individueel van op de hoogte gesteld.

    Wat blijft zoals het is?

    Het CEO Wmo nieuwe stijl is ontwikkeld met de wettekst van de Wmo 2015 als kader. Vanuit de Wmo (artikel 2.5.1) zijn gemeenten verplicht om jaarlijks onderzoek te doen naar de ervaringen van cliënten met de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. Deze wettekst is niet aangepast, dus de kaders die in de wet zijn beschreven, blijven van kracht. In grote lijnen betekent dit dat het onderzoek nog steeds dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • Gemeenten voeren jaarlijks een onderzoek uit naar de ervaringen van ‘cliënten’ met de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning;
    • Onder cliënten wordt verstaan: personen voor wie een onderzoek is uitgevoerd als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 1 Wmo 2015 of personen die gebruik maken van een voorziening (art. 8 Uitvoeringsregeling Wmo 2015);
    • Voor de uitvoering van het CEO wordt gebruik gemaakt van een vragenlijst;
    • In de vragenlijst wordt tenminste ingegaan op de drie thema’s: toegang, kwaliteit en effect;
    • Gemeenten leveren jaarlijks voor 1 juli de onderzoeksresultaten aan bij de Minister van VWS (of een door die minister aangewezen instelling);
    • Gemeenten publiceren de uitkomsten van het onderzoek voor 1 juli.

    Voor het CEO Jeugdwet hebben gemeenten momenteel al meer ruimte om het onderzoek naar eigen inzicht vorm te geven. Hoewel dit onderzoek haar eigen uitdagingen kent, blijft het CEO Jeugdwet voorlopig ongewijzigd.

    Wat verandert er?

    In de nieuwe opzet voor het CEO Wmo krijgen gemeenten de huidige vragenlijst en bijbehorende onderzoeksaanpak niet meer voorgeschreven. Het staat hen wel vrij deze te blijven gebruiken, maar zij mogen er ook voor kiezen om het onderzoek – binnen bepaalde voorgeschreven kaders – op een andere wijze in te richten. De voorgeschreven kaders worden hieronder nader toegelicht.

    Onderzoeksresultaten hoeven niet meer via de online module (zoals nu door onderzoeksbureau Enneüs verzorgd) aangeleverd te worden. Er is een nieuw format ontwikkeld, waarin gemeenten onder andere dienen aan te geven of ze het CEO hebben uitgevoerd, hoe het is uitgevoerd (o.a. doelgroep, methode, onderzoeksonderwerpen) en wat er is gedaan met de uitkomsten van het onderzoek.

    Uitgangspunten CEO Wmo nieuwe stijl

    De VNG heeft onderstaande uitgangspunten vastgesteld voor het CEO Wmo nieuwe stijl.

    1. Moment | Gemeenten verzamelen over elk kalenderjaar op tenminste één moment cliëntervaringen. Ze kunnen er ook voor kiezen dit vaker (periodiek) of continu te doen.

    2. Doelgroep | Gemeenten kunnen kiezen voor welke doelgroep(en) van cliënten ze ervaringen verzamelen. In het ‘CEO Wmo nieuwe stijl’ is het expliciet mogelijk om meer gericht onderzoek te doen (bijvoorbeeld onder cliënten die gebruik maken van een bepaald type voorziening), zolang gemeenten maar onderzoek doen onder personen voor wie een ondersteuningsonderzoek is uitgevoerd of die gebruik maken van een algemene of maatwerkvoorziening.

    3. Thema’s | Het CEO Wmo moet dus altijd tenminste gaan over drie thema’s (zie 4.): toegankelijkheid van voorzieningen, kwaliteit van ondersteuning én ervaren effect van de ondersteuning op de zelfredzaamheid en participatie. De keuze voor een bepaalde doelgroep kan echter tot gevolg hebben dat één van deze thema’s minder aan bod komt.

    4. Methode | Gemeenten kunnen kiezen voor andere onderzoeksmethoden (kwantitatieve dan wel kwalitatieve) dan de huidige standaard vragenlijst. Uitgangspunt is wel (zie 3.) dat voor de uitvoering van het CEO Wmo een vragenlijst wordt gebruikt. Maar gemeenten zijn vrij om deze vragenlijst naar eigen inzicht in te richten zolang in de vragenlijst maar de drie voorgeschreven thema’s (toegang, kwaliteit en effect) aan bod komen.

    5. Handreiking ‘Goed CEO doen’ | Iedereen is gebaat bij cliëntervaringsonderzoek van voldoende kwaliteit. Dat is vooral een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. Ter ondersteuning hiervan komt er een handreiking ‘Goed CEO doen’.

    6. Aanbevelingswaardige instrumenten/onderzoeksaanpakken | Gemeenten dragen zelf een aantal goed bevonden, aanbevelingswaardige instrumenten/onderzoeksaanpakken aan. Deze selectie wordt beoordeeld door enkele experts. Dit zal een doorgaand proces zijn, waardoor de set van aanbevelingswaardige instrumenten/onderzoeksaanpakken zich ontwikkelt. Gemeenten wordt aangeraden voor het CEO Wmo één van deze aanbevolen instrumenten/onderzoeksaanpakken te hanteren. Zij kunnen ook kiezen voor een ander instrument, mits ze zich houden aan de hier genoemde uitgangspunten en de criteria voor kwalitatief goed CEO (zoals geformuleerd in bovengenoemde handreiking).

    7. Gemeentelijke rapportage | Gemeenten leveren jaarlijks de resultaten aan van hun CEO Wmo, aan de hand van een hiervoor ontwikkeld format voor gemeentelijke rapportage, met onder meer aandacht voor de opzet van het CEO en de opvolging van de CEO-resultaten.

    8. Landelijke analyse | Het Ministerie van VWS laat elk jaar een landelijke analyse uitvoeren van de ontvangen gemeentelijke rapportages. Dit levert (inhoudelijke) ‘rode draden’ op t.b.v. een landelijk beeld van cliëntervaring. Van deze landelijke analyse wordt een rapportage opgesteld, welke openbaar gemaakt wordt. Daarnaast worden de gemeentelijke rapportages ontsloten op een centrale website (al dan niet via www.waarstaatjegemeente.nl) met een makkelijk doorzoekbare database.

    In een Q&A op de site van VNG wordt uitgebreid antwoord gegeven op uiteenlopende vragen.

  5. Onderzoek ZorgfocuZ: gemeenten en vervoerders tevreden over samenwerking Publiek Vervoer

    Leave a Comment

    ZorgfocuZ heeft in opdracht van Publiek Vervoer een onderzoek uitgevoerd naar het doelgroepenvervoer in Groningen en Drenthe. Een weergave van de uitkomsten zijn onder andere gepubliceerd op taxipro.nl. Hieronder vindt u een integrale weergave van dat verslag.


    Twee jaar na de start van het doelgroepenvervoer in Groningen en Drenthe was het tijd voor een tussenevaluatie. Vast staat dat de betrokkenen over diverse zaken tevreden zijn, zoals de onderlinge samenwerking en het contractmanagement. Het bleek voor de onderzoekers echter lastig om harde conclusies te trekken, onder meer omdat er bij de start geen harde doelen zijn gesteld. 

    De insteek van het onderzoek door ZorgfocuZ was geen eindoordeel, maar een tussenevaluatie waar Publiek Vervoer en de betrokken gemeenten en vervoerders op voort kunnen borduren. Gekeken is naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de organisatie Publiek Vervoer. Voor dat eerste is nagegaan in hoeverre de beoogde voordelen van het systeem zijn behaald, of de diensten volgens afspraak worden uitgevoerd en hoe de betrokken partijen hun samenwerking ervaren. Voor de doelmatigheid is gekeken naar de beschikbare middelen – tijd en geld – en hoe deze worden ingezet.

    Het bleek echter moeilijk om de doeltreffendheid en doelmatigheid van Publiek Vervoer te bepalen. De doelen en mogelijke voordelen van het systeem waren nogal breed geformuleerd. Er zijn geen specifieke einddoelen voor bijvoorbeeld de minimale bezetting of de klantwaardering, of voor het combineren van vervoersstromen. En er waren geen gegevens beschikbaar van vóór de start van Publiek Vervoer. Daarom moet deze tussenevaluatie vooral worden gezien als een nulmeting, op basis waarvan later meer kan worden gezegd over de voortgang en het succes van het systeem.

    Combinatie en bezetting

    Zo wilde men het vervoersnetwerk optimaliseren door de combinatie- en bezettingsgraad te verhogen. Voor 2019 is die combinatiegraad voor het wmo-vervoer op gemiddeld 1,6 vastgesteld. Maar dat kan niet worden vergeleken met de situatie vóór Publiek Vervoer; hooguit kan er over 2020 en latere jaren een vergelijking worden gemaakt met die combinatiegraad uit 2019. En zo heeft een deel van de gemeenten de indruk dat de samenwerking wel tot kostenbesparingen leidt, maar dat is geen meetbaar effect – en naar verwachting is het dat in de toekomst ook niet.

    Daarmee is het rapport overigens niet zinloos. Zoals gezegd geeft het een referentie voor de jaren die komen en er staan wel degelijk interessante ontwikkelingen in vermeld. Neem de bezettingsgraad: om die te verhogen is perceeloverschrijdend vervoer mogelijk gemaakt. Van dat vervoer is ruim een kwart gereden door een andere vervoerder dan degene die dat perceel voor zijn rekening neemt. Omdat taxi’s dan niet leeg hoefden terug te rijden naar het eigen perceel, was de inzet duurzamer. En dat is een direct effect van deze aanpak, geeft ZorgfocuZ aan. Er is voor dat effect alleen geen streefwaarde vastgesteld, dus of de behaalde resultaten zijn zoals verwacht is niet bekend.

    Klachtenloket functioneert goed

    Andere zaken zijn wat beter op zichzelf meetbaar. En daaruit komt ook naar voren dat men doorgaans goed te spreken is over hoe dingen nu gaan. Zo zijn de meeste gemeenten over het algemeen tevreden over het contractmanagement. Toch zijn sommige gemeenten minder te spreken. Zij hadden verwacht dat hen een groter deel van het contractbeheer uit handen zou worden genomen. Vrijwel alle gemeenten vinden dat Publiek Vervoer nog onvoldoende beleidsadvies geeft. Over het klachtenloket voor het wmo-vervoer valt eigenlijk geen onvertogen woord. Gemeenten ervaren dat dit loket zorgvuldig werkt en dat deze aanpak voor hen een lastenverlichting betekent.

    ‘De basis staat, laat maar zien wat je kunt’. Dat is de algemene gedachte die ZorgfocuZ waarneemt als het om de doorontwikkeling van het vervoerssyteem gaat. Er zijn al stappen gezet, bijvoorbeeld met kennisdeling en een online dashboard, die als zeer positief worden ervaren. Maar deze en andere doorontwikkelingen hebben nog niet gezorgd voor aanpassingen in beleid. Die meerwaarde van Publiek Vervoer moet in de huidige periode eigenlijk gaan blijken en de organisatie geeft ook zelf aan dat daar nu de tijd rijp voor is.

    Tijdrovend proces

    De gemeenten, vervoerders en Publiek Vervoer zijn goed te spreken over hun samenwerking. Sterker nog: die wordt in het onderzoek als ‘zeer positief’ gekarakteriseerd. De persoonlijke en laagdrempelige contacten bij Publiek Vervoer dragen daaraan bij, net als de goede contacten tussen gemeenten onderling en tussen gemeenten en vervoerders.

    Wel worden er twee kanttekeningen geplaatst. De gemeenschappelijke regeling is eigenlijk een soort light-versie, waardoor Publiek Vervoer zelf geen besluiten kan nemen. Alle gemeenten moeten met elke wijziging instemmen en dat is een tijdrovend proces dat in de ogen van de meeste betrokkenen onnodig veel werk kost. De tweede kanttekening is dat er bij Publiek Vervoer de nodige personele wisselingen zijn geweest, wat de samenwerking soms bemoeilijkt. Ook gaat er op die manier telkens kennis verloren. De wens voor meer stabiliteit en daarmee vervoerskundige kennis in de organisatie is dan ook door veel betrokkenen geuit.

    Verbeteringen

    Dat zijn de conclusies, op basis waarvan ZorgfocuZ ook een aantal verbeterpunten voorstelt. Zo lijkt het de moeite waard om te onderzoeken op Publiek Vervoer op bepaalde punten meer mandaat kan krijgen, zodat sommige veranderingen sneller doorgevoerd kunnen worden. Verder wordt aanbevolen een aantal lopende aanpassingen in het bestek snel af te ronden, want pas dan is de basis klaar en kan er worden doorontwikkeld. Continuïteit van de personele bezetting moet prioriteit hebben, net als de doorontwikkeling van het vervoersnetwerk. Voor dat laatste zijn de afgelopen jaren alle voorwaarden gecreëerd. Tot slot wordt voorgesteld om een methode te kiezen waarmee de doelmatigheid en doeltreffendheid daadwerkelijk gemeten kunnen worden.

Zijn onze onderzoeksoplossingen iets voor u?

Sluiten